ECLI:NL:CRVB:2004:AR4664
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- G.J.H. Doornewaard
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing herziening WAO-uitkering wegens ontbreken objectiveerbare beperkingen
Appellant heeft beroep ingesteld tegen besluiten van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) waarbij zijn WAO-uitkering, vastgesteld op een arbeidsongeschiktheid van 15-25%, niet werd herzien. De rechtbank Rotterdam heeft het beroep ongegrond verklaard omdat zowel de medische als arbeidskundige beoordeling geen objectiveerbare beperkingen aan het licht brachten die herziening rechtvaardigen.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak bevestigd. De Raad overwoog dat de klachten van appellant niet kunnen worden teruggevoerd op objectiveerbare medische beperkingen en dat appellant in staat wordt geacht de geduide functies uit te oefenen. De Raad wees het beroep af, ook omdat niet is voldaan aan de criteria voor het aannemen van een bijzonder geval waarin ondanks het ontbreken van een duidelijke medische oorzaak toch een objectief medisch verband kan worden aangenomen.
De Raad achtte geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en bevestigde daarmee de eerdere uitspraak. De beslissing werd uitgesproken op 13 oktober 2004 door de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op herziening van zijn WAO-uitkering wegens het ontbreken van objectiveerbare medische beperkingen.