ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1798
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- R.H.M. Roelofs
- L.H. Waller
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, maar het College vermoedde dat zij samenwoonde met haar ex-echtgenoot, wat zij niet had gemeld. Na onderzoek door de sociale recherche, waarbij verklaringen, buurtonderzoek en inlichtingen werden verzameld, werd het recht op bijstand opgeschort en later ingetrokken met terugvordering van de onterecht ontvangen bedragen.
De rechtbank oordeelde dat sprake was van een gezamenlijke huishouding, mede omdat het ex-echtgenootadres van appellante werd gebruikt en hij feitelijk in haar woning verbleef. De Centrale Raad van Beroep volgde dit oordeel en stelde vast dat de aard van de relatie niet relevant is voor het hoofdverblijfcriterium.
Appellante voerde aan dat haar verklaring onder druk was afgelegd en betwistte haar handtekening, maar de Raad vond geen aanwijzingen voor dwang of onrechtmatigheid. De Raad oordeelde dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden en dat het College terecht de bijstand introk en terugvorderde. Er waren geen dringende redenen om hiervan af te zien.
Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering bevestigd.