ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1834
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WAO-uitkering na intrekking en korting
Appellante ontving vanaf 1987 een WAO-uitkering die in 1988 werd herzien. Vanaf maart 1998 verrichtte zij weer betaalde werkzaamheden en meldde dit aan het Uwv. Na een onderzoek naar aanleiding van een ziekmelding in 2001 besloot het Uwv in 2003 de uitkering vanaf 1998 op nihil te stellen en per 2001 in te trekken. De bezwaren van appellante tegen deze besluiten werden ongegrond verklaard en niet in rechte aangevochten.
Vervolgens vorderde het Uwv in 2003 de onterecht betaalde uitkeringen terug over de periode 1998-2003. Appellante betwistte deze terugvordering, stellende dat het Uwv niet na zes jaar mocht terugvorderen en dat zij steeds had gemeld te werken. De Raad oordeelde dat de korting en intrekking van de uitkering onaantastbaar zijn geworden en dat alleen de terugvordering aan de orde is.
De Raad overwoog dat het Uwv verplicht is de terugvordering te effectueren, tenzij dringende redenen tot kwijtschelding aanwezig zijn. Zulke redenen waren niet gebleken. Ook het feit dat appellante een gespaard bedrag moest aanwenden voor terugbetaling en dat zij onder protest betaalde, vormde geen grond voor kwijtschelding. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees de grieven van appellante af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de WAO-uitkering en wijst het hoger beroep van appellante af.