ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1856
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening uitbreiding arbeidsduur na langdurige afwezigheid
Verzoekster, werkzaam bij Rijkswaterstaat, had een langdurige afwezigheid en verzocht om uitbreiding van haar arbeidsduur tot 36 uur per week met ingang van 1 januari 2001. Dit verzoek werd door gedaagde afgewezen en bevestigd in het bestreden besluit. De voorzieningenrechter overwoog dat het mondelinge verzoek van 15 mei 2000 niet onder de Wet aanpassing arbeidsduur (Waa) valt, omdat deze wet pas op 1 juli 2000 in werking trad en geen terugwerkende kracht kent.
Verder voldeed het schriftelijke verzoek van verzoekster in 2005 niet aan de vereiste van tijdige indiening, namelijk minimaal vier maanden voor de beoogde ingangsdatum. De voorzieningenrechter erkende het spoedeisend belang van verzoekster, maar oordeelde dat gedaagde het bestreden besluit ten behoeve van de bodemzaak nader kan onderbouwen.
Daarom werd het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Awb afgewezen. De voorzieningenrechter zag geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb. Het geschil betreft de omvang van de arbeidsduur en de vraag of gedaagde verplicht was deze met terugwerkende kracht uit te breiden.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot uitbreiding van de arbeidsduur met terugwerkende kracht is afgewezen.