ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1924
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanspraak op WAZ-uitkering na toename medische beperkingen en exploitatie hondenpension
Appellant stelde aanspraak op een WAZ-uitkering op grond van vermeende toename van medische beperkingen na intrekking van een eerdere AAW-uitkering per 15 februari 1994. De rechtbank had dit afgewezen omdat niet was gebleken dat de toename van beperkingen voortkwam uit dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor de AAW-uitkering was toegekend. Appellant voerde medische klachten aan vanaf 1997 en 2000, maar de rechtbank vond de medische rapporten onvoldoende om het tegendeel te bewijzen.
Daarnaast werd beoordeeld of appellant aanspraak kon maken op een WAZ-uitkering op grond van arbeidsongeschiktheid na exploitatie van een hondenpension in 1999/2000. De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV wegens schending van zorgvuldigheids- en motiveringsbeginselen, maar het UWV nam een nieuw besluit dat het bezwaar ongegrond verklaarde. De Raad bevestigde dat appellant per einde wachttijd volledig geschikt was voor de maatgevende arbeid van hondenpensionhouder gedurende maximaal 15 uur per week.
Appellant voerde aan dat hij medisch en psychisch ernstiger beperkt was dan vastgesteld en dat de maatman had moeten uitgaan van een voltijdse hondenpensionhouder met tien honden. De Raad oordeelde dat de medische beperkingen niet objectief waren aangetoond en dat de toekomstige werkverwachting te speculatief was. Het beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.