ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1925

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1170 NABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 21 BeroepswetArt. 22 Beroepswet
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid verzoek om herziening wegens niet tijdig betaald griffierecht ongegrond verklaard

Verzoeker heeft bij de Centrale Raad van Beroep een verzoek om herziening ingediend tegen een eerdere uitspraak. Dit verzoek werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht van €105 niet binnen de gestelde termijn was voldaan. Verzoeker stelde betalingsonmacht, maar dit werd niet aannemelijk gemaakt.

Verzoeker maakte vervolgens verzet tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. De Raad overwoog dat artikel 22 van Pro de Beroepswet dwingend recht bevat en dat geen vrijstelling van griffierecht mogelijk is. Het feit dat verzoeker meerdere zaken had lopen, maakt geen verschil. De Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat het griffierecht de toegang tot de rechter niet wezenlijk belemmert.

Gelet op deze overwegingen verklaart de Raad het verzet ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs en uitgesproken op 7 november 2006.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om herziening wegens niet tijdige betaling van het griffierecht is ongegrond verklaard.

Uitspraak

06/1170 NABW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het verzoek om herziening van:
[verzoeker] (hierna: verzoeker),
van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 augustus 2005, 04/7288 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
verzoeker
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Winterswijk (hierna: College)
Datum uitspraak: 7 november 2006
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van Pro de Beroepswet van
11 juli 2006 heeft de Raad het door verzoeker ingediende verzoek om herziening van de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker verzet gedaan.
Het geding is behandeld ter zitting van 24 oktober 2006. Verzoeker is verschenen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 11 juli 2006 berust hierop, dat het bij het indienen van het verzoek om herziening verschuldigde griffierecht van € 105,-- niet binnen de laatstelijk door de griffier bij aangetekende brief van 13 april 2006 gestelde termijn is betaald en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat verzoeker niet in verzuim is geweest.
In geding is de vraag of het verzoek om herziening van verzoeker terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
De verschuldigdheid van het griffierecht voor de behandeling van het herzieningsverzoek vloeit voort uit het bepaalde in
artikel 22, zevende lid, van de Beroepswet. Op de verschuldigdheid van het griffierecht is verzoeker gewezen bij brieven van
13 maart 2006 en 13 april 2006. Verzoeker is er voorts bij brief van 3 mei 2006 nog op gewezen dat het gedane verzoek om uitstel van betaling niet wordt ingewilligd. Vaststaat dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijnen of nadien is betaald.
Aangezien artikel 22 van Pro de Beroepswet een bepaling van dwingend recht bevat, kan van het voldoen van griffierecht geen vrijstelling worden verleend, terwijl voorts van de door verzoeker gestelde betalingsonmacht niet is gebleken. De enkele omstandigheid dat verzoeker in 2006 meerdere zaken bij de Raad aanhangig heeft gemaakt maakt dit niet anders.
Zoals de Raad in dit kader reeds meermalen heeft overwogen, zie onder meer de uitspraak van 29 augustus 2005 (LJN: AU1857), kan van het recht dat een belanghebbende ingevolge artikel 22 van Pro de Beroepswet dient te betalen, niet worden gezegd dat het de toegang tot de rechter wezenlijk belemmert.
Gelet op het vorenstaande moet het verzet met toepassing van artikel 8:55, vijfde lid, aanhef en onder b van de Awb ongegrond worden verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 november 2006.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) A.H. Polderman-Eelderink.