ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1944
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep inzake toekenning Wajong-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering wegens vermeende arbeidsongeschiktheid sinds 1 januari 1993. Het UWV heeft de uitkering geweigerd op grond van het niet voldoen aan de inkomenseis en het ontbreken van een verlies aan verdiencapaciteit van 25% of meer. Diverse beslissingen en uitspraken, waaronder van de rechtbank Amsterdam en eerdere uitspraken van de Centrale Raad van Beroep, hebben het geschil over de juiste vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag en de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid behandeld.
Na een hoorzitting en aanvullend medisch advies heeft het UWV het bezwaar van appellant tegen het oorspronkelijke besluit ongegrond verklaard. De Raad overweegt dat de medische gegevens geen aanleiding geven tot twijfel over de juistheid van het oordeel dat appellant geen relevante arbeidsongeschiktheid heeft sinds 1 januari 1993. De sociale en persoonlijke omstandigheden van appellant, waaronder de langdurige zorg voor zijn moeder, worden niet als ziekte of gebrek aangemerkt en kunnen niet worden meegenomen in de beoordeling van arbeidsongeschiktheid.
De Raad concludeert dat het bezwaarbesluit van 19 mei 2006 in stand blijft en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb. Het beroep is mede geacht te zijn gericht tegen het besluit van 19 mei 2006, dat het procesbelang van appellant heeft doen vervallen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaarbesluit van 19 mei 2006 blijft in stand.