ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1949
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen weigering WW-uitkering wegens vermeende verwijtbare werkloosheid
Appellant was werkzaam als winkelassistent en meldde zich ziek in november en december 2003. De bedrijfsarts adviseerde op 17 december 2003 dat appellant zijn werk vanaf 5 januari 2004 volledig kon hervatten, mits werkgever en werknemer samen tot een oplossing kwamen, bij voorkeur met mediation. Appellant hervatte zijn werk niet en reageerde niet op brieven van de werkgever, die daarop het dienstverband als verbroken beschouwde. De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst per 1 juni 2004.
Appellant vroeg een WW-uitkering aan, die door het Uwv werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant verwijtbaar had gehandeld door niet te reageren en zijn werk niet te hervatten.
In hoger beroep stelde appellant dat de arbeidsrelatie was verstoord door intimiderend gedrag van de bedrijfsleider en dat de werkgever onvoldoende had gedaan om het conflict op te lossen, ondanks het advies van de bedrijfsarts. De Raad concludeerde dat de werkgever onvoldoende inspanningen had verricht en dat de situatieve arbeidsongeschiktheid hierdoor was veroorzaakt. Hoewel appellant naliet de werkgever te informeren, kon dit niet leiden tot verwijtbare werkloosheid.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak en het besluit van het Uwv, en bepaalde dat het Uwv opnieuw op de bezwaren van appellant moet beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het Uwv veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de eerdere uitspraak en oordeelt dat appellant niet verwijtbaar werkloos is geworden, waardoor de WW-uitkering ten onrechte is geweigerd.