ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1950
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- H.T. van der Meer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na zorgverlofgeschil
Appellant werkte als chauffeur bij een uitzendbureau en vroeg verlof om zijn vrouw te begeleiden bij een hernia-operatie en voor de zorg van zijn kinderen. De werkgever weigerde verlof en dreigde met ontslag bij afwezigheid. Appellant verscheen niet op het werk en werd ontslagen. Het UWV weigerde een WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid, stellende dat appellant zonder noodzaak ontslag had genomen en onvoldoende inspanningen had verricht om zijn dienstbetrekking te behouden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij niet zelf ontslag had genomen maar door de werkgever was ontslagen en dat hij niet was gewezen op de mogelijkheid het ontslag aan te vechten. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV onduidelijk had gemaakt welke verplichtingen appellant had overtreden en dat het standpunt dat appellant ontslag had genomen onjuist was, omdat de werkgever vooraf ontslag bij afwezigheid had aangekondigd.
De Raad vernietigde het besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat het UWV opnieuw op de bezwaren van appellant moet beslissen, met inachtneming van de overwegingen omtrent verwijtbaarheid, het niet aanvechten van het ontslag en de toepasselijkheid van interne richtlijnen. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid wordt vernietigd en het UWV moet opnieuw beslissen.