ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2031
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag over periode voor gezinshereniging
Appellant, een vluchteling uit Afghanistan, vroeg kinderbijslag aan voor zijn kinderen die in Pakistan verbleven. De Sociale verzekeringsbank (Svb) weigerde deze over de periode van het tweede kwartaal 1998 tot en met het vierde kwartaal 1999, omdat appellant niet kon aantonen dat hij zijn kinderen in die tijd in belangrijke mate had onderhouden. Na gezinshereniging in augustus 2000 vroeg appellant opnieuw kinderbijslag aan, die vanaf het vierde kwartaal 2000 werd toegekend.
Appellant maakte bezwaar tegen de weigering over de eerdere periode, maar dit werd ongegrond verklaard door de rechtbank. De Raad overweegt dat het bestuursorgaan bevoegd is om een eerdere afwijzing te heroverwegen, maar dat dit niet mag leiden tot een volledige toetsing alsof het een oorspronkelijk besluit betreft. De Raad stelt dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die aanleiding geven tot herziening van de oorspronkelijke weigering.
De machtiging voor voorlopig verblijf en de komst van de gezinsleden naar Nederland na de bestreden periode kunnen niet worden gezien als nieuwe feiten die de situatie in de geweigerde periode wijzigen. Daarnaast kon appellant geen rechten ontlenen aan het overgangsrecht van de Wet BEU. Het beroep op het Vluchtelingenverdrag is niet onderbouwd en wordt verworpen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de eerdere uitspraak en verklaart het beroep ongegrond, waarmee de weigering van kinderbijslag over de relevante periode wordt gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag over de periode vóór gezinshereniging.