ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2137
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toerekening bedrijfswinst aan appellant voor WAZ-uitkering na omzetting VOF in BV
Appellant ontving een WAZ-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80-100%, maar het UWV hield de uitbetaling tegen vanwege inkomsten uit arbeid. De bedrijfsstructuur wijzigde van een vennootschap onder firma (VOF) naar besloten vennootschappen (BV's), waarbij appellant bestuurder en aandeelhouder werd van een BV. De arbeidsdeskundige en bezwaararbeidsdeskundige berekenden de feitelijke inkomsten van appellant over 2001 en 2002 door een deel van de winst en managementfee toe te rekenen.
Appellant voerde aan dat alleen zijn salaris en fiscale bijtelling voor privégebruik van de auto in aanmerking moesten worden genomen, en niet de indirecte winsttoerekening. De Raad overwoog dat artikel 44 WAO Pro toepassing vindt op inkomsten die betrokkene zelf geniet, maar dat in gevallen van directeur-grootaandeelhouders indirecte verrijking kan worden toegerekend. De structuurwijziging had geleid tot winst die niet rechtstreeks aan appellant toekwam, maar in zijn BV bleef.
Gezien de omvang van de managementfee en winst, en het feit dat appellant minder inzetbaar is dan zijn broer, achtte de Raad de toegepaste winsttoerekening door het UWV terecht. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraken bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraken bevestigd.