ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2180
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening inzake voorschot op aanvullende subsidie
Verzoeksters hebben hoger beroep ingesteld tegen uitspraken van de rechtbank Amsterdam over de vaststelling van subsidies over de jaren 2000 tot en met 2004. Zij vroegen de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep om een voorlopige voorziening, waarbij het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam een voorschot op de aanvullende subsidiebedragen zou moeten uitkeren.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het, gezien de feitelijke en juridische complexiteit, niet mogelijk was om in het kader van een voorlopige voorziening een verantwoorde beoordeling te geven over de omvang en toewijzing van de aanspraken van verzoeksters. Tevens werd meegewogen dat de Raad reeds een uitspraak had gedaan waarbij het College de subsidieverlening aan een andere stichting terecht had beëindigd.
Daarnaast speelde het restitutierisico voor het College een rol in de belangenafweging, evenals het feit dat een nadere zitting gepland stond binnen een redelijke termijn. Gezien deze omstandigheden waren de belangen van verzoeksters onvoldoende zwaarwegend om de gevraagde voorlopige voorziening toe te wijzen.
Het verzoek om een voorschot op de subsidie en de subsidiaire verzoeken werden daarom afgewezen. De uitspraak werd gedaan door T.G.M. Simons op 7 november 2006.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot uitkering van een voorschot op aanvullende subsidies wordt afgewezen wegens onvoldoende zwaarwegende belangen.