Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2180

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/6079 WWB-VV, 06/6080 WWB-VV, 06/6081 WWB-VV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:66 AwbArt. 21 BeroepswetArt. 18 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening inzake voorschot op aanvullende subsidie

Verzoeksters hebben hoger beroep ingesteld tegen uitspraken van de rechtbank Amsterdam over de vaststelling van subsidies over de jaren 2000 tot en met 2004. Zij vroegen de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep om een voorlopige voorziening, waarbij het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam een voorschot op de aanvullende subsidiebedragen zou moeten uitkeren.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het, gezien de feitelijke en juridische complexiteit, niet mogelijk was om in het kader van een voorlopige voorziening een verantwoorde beoordeling te geven over de omvang en toewijzing van de aanspraken van verzoeksters. Tevens werd meegewogen dat de Raad reeds een uitspraak had gedaan waarbij het College de subsidieverlening aan een andere stichting terecht had beëindigd.

Daarnaast speelde het restitutierisico voor het College een rol in de belangenafweging, evenals het feit dat een nadere zitting gepland stond binnen een redelijke termijn. Gezien deze omstandigheden waren de belangen van verzoeksters onvoldoende zwaarwegend om de gevraagde voorlopige voorziening toe te wijzen.

Het verzoek om een voorschot op de subsidie en de subsidiaire verzoeken werden daarom afgewezen. De uitspraak werd gedaan door T.G.M. Simons op 7 november 2006.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot uitkering van een voorschot op aanvullende subsidies wordt afgewezen wegens onvoldoende zwaarwegende belangen.

Uitspraak

06/6079 WWB-VV, 06/6080 WWB-VV, 06/6081 WWB-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet op de verzoeken om voorlopige voorziening van:
[verzoeksters] (hierna: verzoeksters),
in verband met de hoger beroepen van:
verzoeksters
tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 2 mei 2006, 05/461, 05/3849 en 05/3851 en 05/3852 (hierna: aangevallen uitspraken),
in de gedingen tussen:
verzoeksters
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 7 november 2006
I. PROCESVERLOOP
Verzoeksters hebben hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken. Het onderzoek ter zitting van de Raad heeft plaatsgevonden op 5 september 2006. De Raad heeft daarna het onderzoek heropend en daarbij - voor zover hier van belang - bepaald dat het College (zelf) een besluit met betrekking tot de vaststelling van subsidie over de jaren 2000, 2001 en 2002 dient te nemen, dat het College nadere stukken en een nadere motivering met betrekking tot de vaststelling van subsidie over het jaar 2003 dient in te zenden en dat verzoeksters nadere informatie dienen te verstrekken met betrekking tot de procedures inzake de verlening en de vaststelling van subsidie over het jaar 2004. De Raad heeft daarbij voorts aangegeven voornemens te zijn de nadere zitting te doen plaatsvinden op 21 november 2006.
Verzoeksters hebben vervolgens op 8 oktober 2006 verzoeken om voorlopige voorziening gedaan en daarbij de voorzieningenrechter van de Raad primair verzocht te bepalen dat het College aan verzoeksters een voorschot ten bedrage van € 936.903,--, althans € 876.903,--, althans € 500.000,-- dient uit te keren op de aanvullende subsidiebedragen over de jaren 2000 tot en met 2004 waarop verzoeksters aanspraak maken. Subsidiair is - zakelijk weergegeven - verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe leidt dat kan worden gehandeld alsof de door verzoeksters gewenste (nadere) besluiten op grond van de artikelen 5 en 12 van het Besluit in- en doorstroombanen tot stand zijn gekomen, althans het College onder oplegging van een dwangsom te verplichten dergelijke besluiten op korte termijn te nemen.
Het onderzoek ter zitting van de voorzieningenrechter van de Raad heeft plaatsgevonden op 3 november 2006. Verzoeksters hebben zich laten vertegenwoordigen door O. de Rooij en het College door mr. A.G.M. ter Laak.
II. OVERWEGINGEN
Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van Pro de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.
De voorzieningenrechter acht het, gelet op de feitelijke en juridische complexiteit van de onderhavige zaken, niet goed mogelijk in het kader van de voorliggende verzoeken om voorlopige voorziening tot een - hoezeer ook voorlopige - verantwoorde beantwoording te komen van de vraag of, en zo ja, in welke omvang, de beweerde aanspraken van verzoeksters op aanvullende subsidiebedragen uiteindelijk in rechte zullen worden gehonoreerd. Ter voorlichting van verzoeksters merkt de voorzieningenrechter in dit verband op, dat ook al zou de Raad in een of meer van de onderhavige zaken tot het oordeel komen dat de door verzoeksters in beroep bij de rechtbank bestreden besluiten of het - nadere - besluit van het College van 9 oktober 2006 inzake de vaststelling van subsidie over de jaren 2002, 2001 en 2002 wegens bevoegdheids-, procedurele en/of motiveringsgebreken in rechte geen standhouden, daarmee nog niet is gegeven dat verzoeksters materieel het gelijk geheel of gedeeltelijk aan hun zijde hebben.
De voorzieningenrechter ziet vervolgens, gelet op de gedingstukken, aan de zijde van verzoeksters onvoldoende zwaarwegende belangen om tot toewijzing van de primair gevraagde voorlopige voorziening(en) over te gaan. Daarbij heeft de voorzieningen-rechter allereerst betrokken het gegeven dat de Raad bij uitspraak van 3 oktober 2006, 06/4365 WWB en 06/4366 WWB, heeft beslist dat het College de subsidieverlening aan de Stichting W.I.A. 1991 terecht met ingang van
15 februari 2006 heeft beëindigd. Dat verzoeksters inmiddels een verzoek om herziening van die uitspraak hebben gedaan, acht de voorzieningenrechter in dit verband niet van belang. Voorts heeft de voorzieningen-rechter betekenis toegekend aan het restitutierisico van het College, zulks mede in relatie tot de omvang van het door verzoeksters gevorderde bedrag. Ten slotte heeft de voorzieningenrechter bij zijn belangenafweging betrokken dat de nadere zitting - ook - in de onderhavige zaken inderdaad zal plaatsvinden op 21 november 2006 en dat er voorshands geen aanleiding is om te veronderstellen dat de Raad niet binnen de termijn van artikel 8:66, eerste lid, van de Awb uitspraak zal kunnen doen. Voor toewijzing van de subsidiair gevraagde voorlopige voorziening(en) ziet de voorzieningenrechter in het licht van het voorgaande evenmin aanleiding.
Voor een veroordeling in de proceskosten of een bepaling omtrent het griffierecht is geen grond.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Wijst de verzoeken om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht af.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.N. Rijnsewijn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 november 2006.
(get.) T.G.M. Simons.
(get.) P.N. Rijnsewijn.