ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2404
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling gedifferentieerde WAO-premie ondanks bezwaar werkgever
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie voor het jaar 2003, omdat het UWV haar niet tijdig heeft geïnformeerd over de ziekte en WAO-uitkering van een ex-werkneemster. De ex-werkneemster was tot 1 augustus 1999 in dienst en kreeg vanaf 20 juni 2000 een WAO-uitkering toegekend. Appellante stelde dat zij de uitkering niet toegerekend mocht krijgen omdat zij geen mogelijkheid had tot re-integratie en omdat de werknemer gezond uit dienst zou zijn gegaan.
De rechtbank ’s-Gravenhage verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de wet en het Besluit premiedifferentiatie WAO strikt voorschrijven dat alleen de feitelijke uitkering en de eerste arbeidsongeschiktheidsdag binnen het dienstverband relevant zijn voor de premie. Redelijkheid, billijkheid of andere omstandigheden mogen niet worden betrokken bij de vaststelling.
De Centrale Raad van Beroep sluit zich aan bij deze overwegingen en voegt toe dat de werkgever in rechte het besluit tot toekenning van de WAO-uitkering had moeten aanvechten als zij meende dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag onjuist was vastgesteld. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie bevestigd.