ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2482
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na instemming met ontslag
Appellant was sinds 1999 als chauffeur werkzaam bij zijn werkgever en kreeg de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever ontbonden per 1 juli 2004, met een vergoeding. Na het beëindigen van het dienstverband vroeg appellant een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. De reden was dat appellant zich niet voldoende had verzet tegen het ontslag en onvoldoende had bijgedragen aan re-integratie.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij alles had gedaan om bij de werkgever te blijven, dat het advies van de Arbodienst onduidelijk was en dat hij zich niet meer had kunnen verweren tegen het ontslag. De Raad oordeelde dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden omdat hij instemde met het ontslag terwijl voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs van hem kon worden gevergd. Er was geen acute medische noodzaak voor beëindiging en appellant had in aangepaste functies kunnen blijven werken.
De Raad bevestigde het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank dat de WW-uitkering blijvend geheel wordt geweigerd. Tevens werd geen vergoeding van proceskosten toegekend. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 8 november 2006.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt blijvend geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid na instemming met ontslag.