ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2494
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- H.T. van der Meer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbaar werkloos worden door ongewenste intimiteiten
Appellant, bedrijfsleider sinds 1989, werd bij beschikking van de kantonrechter in januari 2004 ontslagen wegens veranderde omstandigheden, met een vergoeding van €20.000 bruto. Na een periode van arbeidsongeschiktheid vroeg hij in augustus 2004 een WW-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering blijvend wegens verwijtbaar werkloos worden, omdat appellant ongewenste intimiteiten had gepleegd jegens een ondergeschikte.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het gedrag van appellant, waaronder het herhaaldelijk voorschieten van geld en het fysiek schudden van de werkneemster, leidde tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en dat dit verwijtbaar was. De Raad onderschreef dit oordeel en vond dat appellant zichzelf in een situatie had gebracht waarin het voorzienbaar was dat de werkgever tot beëindiging zou overgaan.
Appellant voerde in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe argumenten aan. De Raad verwierp zijn stelling dat de werkgever om economische redenen wilde ontslaan en dat een klacht over seksuele intimidatie als voorwendsel werd gebruikt. De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de weigering van de WW-uitkering. Tevens wees de Raad een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de blijvende weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbaar werkloos worden door ongewenste intimiteiten.