ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2502
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens vermeend verwijtbaar werkloos na ontslag op staande voet
Appellant was sinds november 2000 werkzaam als ploegleider en werd op 13 augustus 2004 op staande voet ontslagen wegens werkweigering zonder ziekmelding. Na een kortdurende tussenperiode bij een uitzendbureau vroeg appellant een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant zich bewust had moeten zijn van de gevolgen van zijn gedrag, mede vanwege een eerdere waarschuwing die echter was ingetrokken. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de werkgever onredelijk had gehandeld en dat hij niet verwijtbaar werkloos was geworden.
De Raad oordeelde dat appellant niet kon voorzien dat het niet verschijnen zonder ziekmelding op 13 augustus 2004 tot ontslag zou leiden, mede omdat de eerdere waarschuwing was ingetrokken en het onduidelijk was of de werkgever hem had gewaarschuwd voor mogelijke ontslaggevolgen. Ook was de houding van de werkgever erop gericht het dienstverband te beëindigen, waardoor een inhoudelijk verweer zinloos was.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en beval het UWV een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De Raad vernietigt het besluit tot weigering van de WW-uitkering en draagt het UWV op een nieuw besluit te nemen.