ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2507

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-1131 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering toekenning rente over nabetaling WW-uitkering onrechtmatig verklaard

Betrokkene ontving vanaf 3 januari 1994 een WW-uitkering, waarvan het dagloon in 2002 met terugwerkende kracht werd verhoogd. Appellant weigerde aanvankelijk wettelijke rente over de nabetaling te vergoeden, maar erkende later de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit en kende rente toe vanaf 1 september 2001.

De rechtbank oordeelde dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was en dat appellant vanaf 1 februari 1994 wettelijke rente verschuldigd was. Appellant stelde dat de gevolgen van de onrechtmatigheid voor rekening van betrokkene moesten komen, omdat het dagloon destijds was vastgesteld op basis van door betrokkene en zijn werkgever verstrekte gegevens en betrokkene pas na acht jaar om herziening vroeg.

De Raad onderschreef het standpunt van appellant dat de wettelijke beslistermijn was overschreden en dat rente vanaf 1 september 2001 terecht werd toegekend. Wel stelde de Raad vast dat appellant rente over rente had verzuimd toe te kennen, waardoor het bestreden besluit niet kon standhouden. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank met de kanttekening dat appellant een nieuw besluit moet nemen en veroordeelde appellant tot betaling van de proceskosten van betrokkene.

Uitkomst: Appellant wordt veroordeeld tot het nemen van een nieuw besluit waarin rente over rente wordt toegekend en tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

04/1131 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 16 januari 2004, 03/1049 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
[betrokkene] (hierna: betrokkene)
en
appellant
Datum uitspraak: 31 augustus 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2006. Namens appellant is verschenen mr. R.G. Willems-Cremers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en namens betrokkene is verschenen mr. Brauer, voornoemd.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
Bij besluit van 21 januari 1994 heeft appellant aan betrokkene met ingang van 3 januari 1994 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van betrokkene van 29 juni 2001 heeft appellant bij besluit van 18 december 2002 het WW-dagloon met volledig terugwerkende kracht verhoogd.
Bij besluit van 21 maart 2003 heeft appellant geweigerd wettelijke rente te vergoeden over de nabetaling, bij bestreden besluit op bezwaar van 13 juni 2003 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 21 maart 2003 gegrond verklaard en aan betrokkene over de periode 1 september 2001 tot 14 mei 2003, zijnde de datum van de nabetaling, wettelijke rente toegekend.
Volgens de rechtbank moet besluit van 21 januari 1994 als onrechtmatig worden aangemerkt en de rechtbank is van oordeel dat appellant ingaande 1 februari 1994 wettelijke rente is verschuldigd.
Appellant erkent dat het besluit van 21 januari 1994 onrechtmatig was, maar vindt dat de gevolgen van de onrechtmatigheid van dat besluit veeleer voor risico van betrokkene dienen te komen. Het dagloon is destijds vastgesteld op basis van de gegevens die door betrokkene en zijn werkgever zijn verstrekt. Betrokkene heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen de dagloonvaststelling en heeft eerst na verloop van acht jaar verzocht om herziening van het dagloon.
De Raad overweegt als volgt.
Zoals blijkt uit de uitspraak van de Raad van 15 december 2005 (LJN: AU8835) onderschrijft de Raad het standpunt van appellant.
Zoals uit die uitspraak ook blijkt, had appellant wel binnen de wettelijke beslistermijn op het op 2 juli 2001 ontvangen verzoek van betrokkene van 29 juni 2001 moeten beslissen. Door dit eerst op 18 december 2002 te doen is die termijn overschreden. Terecht heeft appellant in verband daarmee besloten ingaande 1 september 2001 wettelijke rente over de nabetaling te vergoeden.
Het voorgaande betekent echter niet dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Ter zitting is gebleken dat appellant heeft verzuimd rente over rente toe te kennen.
De rechtbank heeft dan ook het bestreden besluit terecht vernietigd, zij het op onjuiste gronden. Het hoger beroep slaagt dan ook niet.
De Raad ziet in één en ander aanleiding appellant te veroordelen tot betaling van de kosten die betrokkene in verband met het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit dient te nemen op het bezwaar van betrokkene;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene, tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.M.T. Kruls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2006.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) C.M.T. Kruls.