ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2510
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen vaststelling WAO-dagloon met pensionkostentoeslag
Appellant, voormalig werknemer bij Volvo Car B.V., maakte bezwaar tegen de vaststelling van zijn WAO-dagloon door het UWV, waarbij onder meer geen rekening was gehouden met pensionkostentoeslag en diverse toeslagen. Het UWV verhoogde het dagloon in 2002 en 2004, maar wees de bezwaren grotendeels af. De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond en deels ongegrond.
In hoger beroep bevestigt de Raad dat het UWV bevoegd is terug te komen op eerdere, in rechte onaantastbare besluiten, maar dat appellant voldoende bewijs moet leveren om onjuistheid aan te tonen. De Raad onderschrijft de rechtbank dat extra reisdagen en CAO-toeslag niet aannemelijk zijn gemaakt. Wel oordeelt de Raad dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de pensionkostentoeslag niet is meegenomen, terwijl in vergelijkbare zaken deze toeslag wel werd toegekend onder de voorwaarde dat het gezin in het buitenland woonde.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en beveelt het UWV een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt deels niet-ontvankelijk verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met opdracht tot nieuw besluit door het UWV.