ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2588
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- N.J. Grootjans-van Vulpen
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep bevestigt recht op kinderbijslag vanaf 1 oktober 2000 voor vluchteling met verblijfsvergunning
Betrokkene, een vluchtelinge uit Irak, woont sinds 1997 in Nederland en heeft vanaf 27 juli 2000 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Zij vroeg kinderbijslag aan met terugwerkende kracht tot 1 juli 2000, maar de Sociale Verzekeringsbank (appellant) kende deze toe vanaf het derde kwartaal van 2001.
De rechtbank Breda oordeelde dat betrokkene vanaf 27 juli 2000 rechtmatig verblijf had en daarom vanaf die datum als verzekerde op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) moest worden aangemerkt. Appellant stelde in hoger beroep dat betrokkene niet als ingezetene kon worden beschouwd omdat zij niet het middelpunt van haar maatschappelijk leven in Nederland had.
De Raad stelde vast dat appellant dit standpunt tijdens de zitting had verlaten en bevestigde het oordeel van de rechtbank. Betrokkene wordt vanaf het vierde kwartaal van 2000 als verzekerde aangemerkt. Daarnaast veroordeelde de Raad appellant in de proceskosten van betrokkene ten bedrage van € 644,-. Het hoger beroep van appellant wordt verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat betrokkene vanaf het vierde kwartaal van 2000 als verzekerde op grond van de AKW moet worden aangemerkt en veroordeelt appellant in de proceskosten.