ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2594
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van AOW-toeslag en beleidswijziging inzake EU-onderdaan
Appellant, een EU-onderdaan woonachtig in Duitsland, kreeg vanaf 1 december 1998 een AOW-pensioen toegekend met een korting vanwege niet-verzekerde jaren. Daarnaast werd hem geen toeslag toegekend vanwege het inkomen van zijn (huwelijks)partner. Na bezwaar en beroep werd het beleid van de Sociale verzekeringsbank (Svb) gewijzigd naar aanleiding van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, waarbij bepaalde uitkeringen van de jongere partner niet meer worden gekort op de AOW-toeslag. Deze beleidswijziging ging in per 1 maart 2001 en werkt niet terug.
De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit in overeenstemming is met het beleid en niet kennelijk onredelijk is, maar stelde dat de ingangsdatum van de toeslag 1 februari 2001 moet zijn. Appellant stelde in hoger beroep grieven in tegen zowel het recht op AOW als de toeslag, maar de Raad stelt dat het recht op AOW zelf buiten het geding valt en bevestigt het oordeel van de rechtbank over de toeslag en de ingangsdatum.
De Raad concludeert dat het hoger beroep vergeefs is ingesteld en ziet geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak bevestigt daarmee het beleid van de Svb en de rechtmatigheid van het besluit met betrekking tot de AOW-toeslag en de gehanteerde ingangsdatum.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het bestreden besluit en stelt de ingangsdatum van de AOW-toeslag vast op 1 februari 2001.