ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2907

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-2866 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:70 AwbArt. 8:74 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding griffierecht bij beëindiging bijstandsuitkering en bewijsstukverzoek

Appellant ontving een bijstandsuitkering en meldde per 1 oktober 2004 werk te hebben gevonden, waarna hij verzocht de uitkering te beëindigen. Het College stemde hiermee in, maar vroeg appellant bewijsstukken ter bevestiging. Appellant maakte bezwaar tegen deze verzoeken, dat door het College werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant niet-ontvankelijk wegens vervallen procesbelang, omdat het College het bewijsstuk niet langer verlangde.

Appellant stelde in hoger beroep dat hij principieel wilde weten of het College het bewijsstuk terecht had verlangd en dat de rechtbank ten onrechte weigerde het griffierecht te vergoeden. De Raad bevestigde dat het procesbelang ontbrak omdat de Awb niet bedoeld is voor louter principiële vragen. Wel oordeelde de Raad dat de rechtbank had moeten bepalen dat het betaalde griffierecht aan appellant moest worden vergoed, gelet op de opstelling van de Dienst.

De Raad vernietigde het deel van de uitspraak dat het griffierecht niet werd vergoed, bevestigde de rest van de uitspraak en bepaalde dat de gemeente Eindhoven het griffierecht van €142 aan appellant moet vergoeden.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard, maar het betaalde griffierecht wordt aan appellant vergoed.

Uitspraak

06/2866 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 31 maart 2006, 05/1267 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: College)
Datum uitspraak: 15 november 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 4 oktober 2006, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Appellant ontving een bijstandsuitkering. Bij brief van 25 september 2004 heeft appellant de Dienst Werk, Zorg en Inkomen van de gemeente Eindhoven (hierna: Dienst) medegedeeld dat hij per 1 oktober 2004 werk heeft gevonden en heeft hij verzocht de uitkering per die datum te beëindigen.
Bij brief van 21 oktober 2004 heeft de Dienst aan appellant mededeling gedaan van het besluit van het College de uitkering overeenkomstig zijn verzoek met ingang van 1 oktober 2004 te beëindigen. De brief bevat voorts het verzoek aan appellant om vóór 1 november 2004 een bewijsstuk in te zenden waaruit blijkt per welke datum hij werk heeft aangenomen. Bij brief van 4 november 2004 heeft de Dienst gerappelleerd en appellant verzocht het bewijsstuk vóór 20 november 2004 in te zenden.
Bij brief van 19 november 2004 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de in de brieven van 21 oktober 2004 en 4 november 2004 gedane verzoeken. Bij besluit van 22 maart 2005 heeft het College het bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 22 maart 2005 niet-ontvankelijk verklaard wegens het vervallen van het procesbelang van appellant. Daaraan is ten grondslag gelegd het gegeven dat het College ter zitting van de rechtbank - desgevraagd - heeft verklaard het gevraagde bewijsstuk niet langer te verlangen. De rechtbank heeft voorts overwogen dat er geen grond is om het door appellant betaalde griffierecht te doen vergoeden.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij wenst een - principiële - rechterlijke uitspraak over de vraag of het College terecht het gevraagde bewijsstuk van hem heeft verlangd. Voorts heeft hij aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten de gemeente Eindhoven te veroordelen tot betaling van het griffierecht.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat geen sprake (meer) is van procesbelang van appellant. De Raad herinnert aan zijn vaste jurisprudentie, inhoudende dat de voorzieningen van rechtsbescherming die de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) biedt, niet bedoeld zijn voor het beantwoorden van louter principiële (rechts)vragen. In zoverre dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
Met appellant is de Raad van oordeel dat de rechtbank in de omstandigheden van dit geval (met name de opstelling van de Dienst) aanleiding had moeten vinden om, met toepassing van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb, te bepalen dat het betaalde griffierecht aan appellant dient te worden vergoed. In zoverre dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd.
Van kosten van appellant waarop een veroordeling in de proceskosten betrekking kan hebben, is de Raad niet gebleken.
Ten overvloede merkt de Raad nog op dat de door appellant gewraakte verzoeken in de brieven van 21 oktober 2004 en
4 november 2004 niet kunnen worden aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, zodat het College het bezwaar niet-ontvankelijk had dienen te verklaren. De rechtbank heeft dit punt echter terecht onbesproken gelaten, nu de - gelet op artikel 8:70 van Pro de Awb daaraan voorafgaande - ambtshalve beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is nagelaten te bepalen dat het in beroep betaalde griffierecht dient te worden vergoed;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Bepaalt dat de gemeente Eindhoven aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Bagga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 november 2006.
(get.) T.G.M. Simons.
(get.) S.R. Bagga.