ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3005
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid
Appellant diende een aanvraag in voor een WW-uitkering die door het UWV volledig werd geweigerd omdat hij verwijtbaar werkloos zou zijn geworden door ontslagname zonder noodzakelijkheid. De rechtbank bevestigde deze weigering, waarbij het UWV aannam dat appellant zijn tijdelijke dienstverband bij werkgever 2 voortijdig had beëindigd zonder dat dit redelijkerwijs van hem kon worden gevergd.
In hoger beroep stelde appellant dat het dienstverband bij werkgever 2 per 1 november 2004 niet zou zijn voortgezet en dat het UWV daarom een maatregel wegens benadelingshandeling had moeten opleggen in plaats van een blijvende weigering. Tevens voerde appellant aan dat zijn ontslag bij werkgever 1 onvermijdelijk was vanwege slechte bedrijfsomstandigheden, waardoor hij niet lichtvaardig zijn vaste dienstverband had opgezegd.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht aannam dat appellant verwijtbaar werkloos was geworden, maar dat het beleid van het UWV inzake benadelingshandelingen niet correct was toegepast. Uit verklaringen bleek dat het tijdelijke contract niet zou zijn verlengd vanwege onvoldoende functioneren, waardoor aan de beleidsvoorwaarden voor een maatregel wegens benadelingshandeling werd voldaan. Ook werd geoordeeld dat de overstap van werkgever 1 naar werkgever 2 niet lichtvaardig was.
De Raad vernietigde het bestreden besluit, verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen waarbij een tijdelijke weigering van de WW-uitkering wordt opgelegd over de periode dat appellant nog in dienst had kunnen zijn. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met een tijdelijke maatregel wegens benadelingshandeling.