ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3007

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-31 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7, tweede lid, aanhef en onder b, Maatregelverordening WWBArt. 8, eerste lid, aanhef en onder b, Maatregelverordening WWBArt. 9, eerste lid, aanhef en onder b, Wet werk en bijstand
Verwijzingen
1 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging korting bijstandsuitkering wegens niet meewerken aan arbeidsinschakeling

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wageningen, waarbij zijn bijstandsuitkering voor de maand april 2005 met 30% werd verlaagd wegens het niet meewerken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Het College baseerde dit besluit op het feit dat appellant herhaaldelijk niet was verschenen op uitnodigingen van het ingeschakelde reïntegratiebureau.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad bevestigt deze uitspraak. Appellant voerde aan dat hij het reïntegratietraject niet zinvol achtte en al bezig was met het opzetten van een zelfstandige werkkring, maar de Raad benadrukt dat het niet aan appellant is om te besluiten niet mee te werken aan het onderzoek. Ook eigen initiatieven tot reïntegratie rechtvaardigen geen weigering tot medewerking.

De Raad concludeert dat het College terecht de bijstand heeft verlaagd met toepassing van de relevante artikelen uit de Maatregelverordening WWB en de Wet werk en bijstand. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: De korting van 30% op de bijstandsuitkering wegens niet meewerken aan het onderzoek naar arbeidsinschakeling wordt bevestigd.

Uitspraak

06/31 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 22 november 2005, 05/2484
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wageningen
(hierna: College)
Datum uitspraak: 15 november 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2006. Appellant is verschenen en het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M.A. Rijnders, werkzaam bij de gemeente Wageningen.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden en voor de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Bij besluit van 16 maart 2005 heeft het College de aan appellant verleende bijstand gedurende de maand april 2005 verlaagd met 30%. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant in strijd met de op hem rustende wettelijke verplichting niet heeft meegewerkt aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.
Bij besluit van 16 juni 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van
16 maart 2005 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Vaststaat dat appellant herhaaldelijk, laatstelijk op 3 februari 2005, niet is verschenen op de uitnodigingen van het door het College ingeschakelde reïntegratiebureau
Alexander Calder. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant daarmee heeft gehandeld in strijd met de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet werk en bijstand neergelegde verplichting om mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de door appellant aangevoerde persoonlijke en financiële omstandigheden geen aanleiding geven voor de vaststelling dat het besluit van 16 juni 2005 niet (ongewijzigd) in stand kan blijven. Aan hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen voegt de Raad nog het volgende toe.
Uit de gedingstukken en ook uit het verhandelende ter zitting leidt de Raad af dat appellant niet op de desbetreffende uitnodigingen is verschenen omdat hij het door het College ingezette reïntegratietraject niet zinvol achtte en hij reeds doende was om voorbereidingen te treffen om een zelfstandige werkkring op te starten. De Raad beklemtoont in dit verband dat het niet aan appellant is om te besluiten niet (meer) mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot reïntegratie. Dat er naar de mening van appellant geen resultaat zou zijn te verwachten van een dergelijk onderzoek, doet daar hoe dan ook niet aan af. Voorts vormt ook een op eigen initiatief ontplooide inspanning tot reïntegratie geen gerechtvaardigde reden om medewerking te weigeren aan een door het bevoegde bestuursorgaan ingesteld reïntegratieonderzoek.
Op grond van het voorgaande is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het College terecht met toepassing van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, van de toepasselijke Maatregelverordening WWB in samenhang met artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Maatregelverordening WWB de bijstand gedurende één maand met 30% van de toepasselijke bijstandsnorm heeft verlaagd. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Bagga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 november 2006.
(get.) T.G.M. Simons.
(get.) S.R. Bagga.
BKH 141106