ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3055
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Weigering heropening WAO-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen
Appellante, werkzaam als keukenhulp en later assemblagemedewerkster in WSW-verband, vroeg heropening van haar WAO-uitkering wegens vermeende toegenomen beperkingen. Het UWV weigerde dit op basis van medische onderzoeken die geen toename van arbeidsongeschiktheid aantoonden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag terecht was vastgesteld op 15 oktober 2002 en dat het WSW-werk als maatman geldt. Wel vernietigde de Raad het bestreden besluit voor zover het betrekking had op de WAO-aanspraak na de wachttijd op 13 oktober 2003, omdat in beroep een deugdelijke motivering was gegeven over de geschiktheid voor het eigen werk.
De Raad bevestigde verder de medische beoordeling dat er geen sprake was van toegenomen beperkingen per 28 oktober 2003 en oordeelde dat de belastbaarheid binnen de Functionele Mogelijkheden Lijst bleef. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten en appellante kreeg vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot weigering van heropening van de WAO-uitkering wordt gedeeltelijk vernietigd, met in stand blijvende rechtsgevolgen en veroordeling van het UWV in proceskosten.