ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3058
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit UWV tot afwijzing WAO-uitkering wegens arbeidsvermogen
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV van 19 juni 2003, waarbij het UWV het eerdere besluit van 20 december 2002 handhaafde en geen WAO-uitkering toekende. Het geschil betreft de vraag of appellante arbeidsongeschikt is per 22 augustus 2002, aansluitend op het einde van de wachttijd.
De Raad verwijst naar de uitgebreide feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de aangevallen uitspraak van de rechtbank Utrecht en concludeert dat appellante weliswaar beperkingen heeft, maar toch in staat is haar maatgevende functie als productiemedewerkster te vervullen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en acht zich voldoende voorgelicht over de gezondheidssituatie van appellante.
De grieven van appellante over de geselecteerde functies laat de Raad onbesproken omdat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit van het UWV om geen WAO-uitkering toe te kennen wordt bevestigd.