ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3065
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering ondanks cognitieve klachten appellant
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV van 11 juli 2003, waarbij een WAO-uitkering werd geweigerd. De rechtbank Zutphen had het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd, waarna de mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 15 tot 25% met ingang van 3 juni 2003.
In het hoger beroep heeft appellant opnieuw gewezen op cognitieve problemen die volgens hem onvoldoende zijn meegewogen. Nieuwe argumenten zijn echter niet ingebracht. Het UWV heeft toegelicht dat een vierde functie in de beoordeling is meegenomen, waardoor het verlies aan verdiencapaciteit op 18% is vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank de grieven van appellant voldoende heeft gemotiveerd en dat er geen nieuwe feiten zijn die aanleiding geven tot herziening. Ook de aanvullende medische stukken van appellant overtuigen niet van een onjuist beeld bij de verzekeringsarts. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering en verklaart het hoger beroep ongegrond.