ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3129
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering arbeidsongeschiktheid
Appellante had een WAO-uitkering die door het UWV per 4 mei 2003 werd ingetrokken omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou zijn. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep tegen dit besluit, stellende dat haar medische beperkingen onvoldoende waren meegewogen. De rechtbank oordeelde dat het medisch oordeel van het UWV juist was, mede omdat er geen aanvullende medische gegevens waren aangeleverd.
In hoger beroep stelde appellante dat haar klachten, waaronder artrose, spataderen, vochtophoping en voetklachten, onvoldoende waren meegewogen en dat niet alle medische informatie beschikbaar was voor de verzekeringsartsen. De Raad concludeerde echter dat er geen aanwijzingen waren dat de beperkingen ernstiger waren dan reeds vastgesteld en dat de functies die appellante zou kunnen verrichten medisch passend waren.
De Raad beoordeelde daarnaast de arbeidskundige onderbouwing van het besluit, die was gebaseerd op het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). Hoewel het CBBS in beginsel aanvaardbaar is, stelt de Raad hoge eisen aan de motivering. In deze zaak werd pas in hoger beroep een toereikende motivering geleverd, waardoor het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank werden vernietigd.
De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven echter in stand op grond van artikel 8:72, derde lid, Awb. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellante en moet het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.