ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3368
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- H.T. van der Meer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herhaalde aanvraag AAW-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant heeft sinds 1978 meerdere keren een AAW-uitkering aangevraagd wegens arbeidsongeschiktheid, maar deze aanvragen werden steeds afgewezen. In 2002 diende appellant opnieuw een aanvraag in, die door het UWV werd gezien als een herhaalde aanvraag. Het UWV weigerde deze op grond van het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV ongegrond werd verklaard. De rechtbank Leeuwarden bevestigde deze afwijzing en oordeelde dat de aanvraag kwalificeert als een herhaalde aanvraag volgens artikel 4:6 van Pro de Awb, waarbij geen nieuwe feiten waren aangetoond.
In hoger beroep voerde appellant onder meer aan dat hij onvoldoende gelegenheid had gekregen zich te uiten, dat medische gegevens voor hem waren achtergehouden en dat de uitspraak niet openbaar was. Ook stelde hij discriminatie aan de orde. De Raad achtte deze grieven onvoldoende onderbouwd en bevestigde het oordeel van de rechtbank.
De Raad concludeert dat het UWV redelijk heeft gehandeld en dat de eerdere beslissing rechtens onaantastbaar is. Er zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden die heroverweging rechtvaardigen, zodat de afwijzing van de herhaalde aanvraag standhoudt.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de herhaalde aanvraag voor een AAW-uitkering wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.