ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3418
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.P.M. van de Kerkhof
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WAO-uitkering wegens inkomsten uit arbeid en uitkeringsfraude
Appellant ontving een WAO-uitkering op basis van 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid. Naar aanleiding van een FIOD-onderzoek naar uitkeringsfraude stelde het UWV vast dat appellant in 1998 en 1999 inkomsten uit arbeid had ontvangen die de mate van arbeidsongeschiktheid met minder dan 15% verminderden. Op grond hiervan besloot het UWV de uitkering over die jaren niet uit te betalen en de reeds betaalde bedragen terug te vorderen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het strafvonnis geen bewijs leverde voor de hoogte van zijn inkomsten en betwistte de juistheid van de FIOD-gegevens. De Raad oordeelde echter dat het UWV zich terecht op deze gegevens mocht baseren, mede omdat appellant geen aannemelijk bewijs leverde voor lagere inkomsten. Ook het betoog dat een deel van de inkomsten aan zijn echtgenote toerekenbaar was, werd verworpen.
De Raad bevestigde dat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt was op basis van de geschatte inkomsten en dat het UWV daarom terecht de uitkering stopzette en terugvorderde. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Alkmaar werd bevestigd, en er werd geen aanleiding gezien voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van WAO-uitkeringen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid door inkomsten uit arbeid.