ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3426
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- H.T. van der Meer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit herziening WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering CBBS
Betrokkene maakte bezwaar tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) om haar WAO-uitkering te herzien van 80-100% naar 55-65% arbeidsongeschiktheid. Dit besluit was gebaseerd op het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) waarmee functies werden geselecteerd die betrokkene nog zou kunnen verrichten.
De rechtbank oordeelde dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd omdat het CBBS niet voor iedereen inzichtelijk is en dat er geen rekening was gehouden met een afspraak over het vermijden van functies met harde geluiden. De rechtbank vernietigde het besluit en beval een nieuw besluit.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het CBBS onvolkomenheden kent en hoge eisen aan de motivering stelt. In de beroepsfase is echter de gewenste onderbouwing alsnog gegeven, waaronder een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige. De Raad oordeelt dat het UWV terecht geen rekening hoefde te houden met de afspraak over geluid vanwege het ontbreken van medische noodzaak en dat het vertrouwensbeginsel niet is geschonden.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze een nieuw besluit opdraagt, maar bevestigt deze voor het overige en laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Er is geen proceskostenvergoeding toegewezen omdat niet is gebleken dat betrokkene kosten heeft gemaakt.
Uitkomst: Het besluit tot herziening van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.