ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3443
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- R.H.M. Roelofs
- L.H. Waller
- Rechtspraak.nl
Vernietiging herzieningsbesluit AOW wegens onjuiste vaststelling gezamenlijke huishouding
Appellante ontving een AOW-pensioen naar de norm voor ongehuwden. De Sociale verzekeringsbank stelde na onderzoek vast dat appellante sinds februari 1995 een gezamenlijke huishouding voerde met een ander persoon, wat leidde tot herziening van haar pensioen naar de gehuwdennorm met terugwerkende kracht.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde onder meer aan dat de hoorplicht was geschonden en dat er geen sprake was van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt anders.
De Raad overweegt dat het begrip gezamenlijke huishouding volgens de AOW-wetgeving gedurende de relevante periode is gewijzigd en dat voor de periode van 1 februari 1995 tot 2 januari 1998 twee criteria gelden: gezamenlijk voorzien in huisvesting en wederzijdse verzorging. Hoewel het eerste criterium was voldaan, ontbrak het aan voldoende bewijs voor wederzijdse zorg, mede omdat er geen financiële verstrengeling was en de zorg niet wederzijds was.
Voor de periode vanaf 2 januari 1998 geldt een gewijzigde definitie, maar ook dan was onvoldoende aangetoond dat sprake was van gezamenlijke huishouding. De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit en beveelt de Sociale verzekeringsbank een nieuw besluit te nemen. Tevens veroordeelt de Raad de Sociale verzekeringsbank in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot herziening van het AOW-pensioen wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.