ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3465
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen intrekking WAO-uitkering bevestigd
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV tot intrekking van haar WAO-uitkering per 1 december 2002 en de terugvordering van te veel betaalde uitkeringen. Het UWV verklaarde het bezwaar tegen een informatieve brief niet-ontvankelijk en stelde dat het bezwaar tegen het intrekkingsbesluit te laat was ingediend.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante niet-ontvankelijk omdat zij ter zitting aangaf geen oordeel meer te wensen over de brief, maar nam het bezwaar tegen het intrekkingsbesluit alsnog in behandeling. Appellante stelde in hoger beroep dat zij niet de dupe wilde zijn van nalatigheden van het UWV en dat zij het intrekkingsbesluit niet had ontvangen.
De Raad oordeelde dat het UWV het bezwaar van appellante mede zag als gericht tegen het intrekkingsbesluit en dat appellante belang had bij een oordeel daarover. De Raad verwierp echter de stelling dat het besluit niet was ontvangen, omdat uit stukken bleek dat appellante een kopie had meegezonden. De bezwaartermijn was daarom correct gestart en appellante had te laat bezwaar gemaakt.
De Raad vernietigde de aangevallen uitspraak, verklaarde het inleidend beroep ongegrond en bepaalde dat het UWV het betaalde griffierecht aan appellante vergoedt.
Uitkomst: Het bezwaar van appellante tegen het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.