ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3488
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens geschiktheid voor WAO-functies
Appellant, werkzaam als keukenhulp/kok, viel in mei 2001 uit wegens diverse klachten. Het UWV weigerde hem ziekengeld toe te kennen na afloop van de wachttijd, omdat hij volgens de WAO-beoordeling geschikt was voor andere arbeid.
Na een periode van ziekte en een toegekende WAO-uitkering, trok het UWV deze weer in op grond van geschiktheid voor arbeid. Appellant maakte bezwaar en voerde medische klachten aan waaronder complicaties en beperkingen door eerdere operaties en valincidenten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad overwoog dat onder 'zijn arbeid' de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid wordt verstaan, tenzij de verzekerde na wachttijd blijvend ongeschikt is voor dat werk en geen ander werk heeft hervat. In dat geval geldt de WAO-functieschatting. Appellant was geschikt voor ten minste één van deze functies, waardoor geen recht op ziekengeld bestond.
De Raad vond geen aanleiding het besluit te herzien, ondanks de medische stukken en een latere liesbreukoperatie die buiten de zaak viel. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld omdat appellant geschikt is voor ten minste één functie uit de WAO-schatting.