ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3527
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- H.T. van der Meer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging UWV-besluit over WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, meldde zich ziek wegens spanningsklachten en vroeg een WAO-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en beperkte het geschil tot het medische aspect van de beoordeling.
In hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat de rechtbank het geschil ten onrechte beperkte tot alleen het medische aspect, waardoor de uitspraak onvoldoende wettelijke grondslag had en vernietiging in aanmerking kwam. De Raad oordeelde dat de beperkingen van appellante niet waren overschat en dat de door het UWV geselecteerde functies passend waren.
De Raad stelde vast dat de motivering van het UWV-besluit onvoldoende was, met name rond de niet-matchende items in de CBBS-schatting. Hoewel het besluit werd vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 Awb, werden de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten conform artikel 8:72 Awb Pro.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten aan appellante en bepaalde dat het griffierecht werd vergoed. Er werd geen nader medisch onderzoek noodzakelijk geacht omdat de beschikbare gegevens voldoende waren om tot een verantwoord oordeel te komen.
Uitkomst: Het UWV-besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.