ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4120
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering ondanks beroep op CBBS-jurisprudentie
Appellant stelde hoger beroep in tegen het besluit van het UWV van 10 februari 2004, waarbij hem per 7 mei 2003 een WAO-uitkering werd geweigerd. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard. Appellant voerde aan dat op grond van de jurisprudentie van de Raad besluiten die mede steunen op het CBBS-systeem onzorgvuldig zijn en vernietigd moeten worden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank de grieven van appellant afdoende had gemotiveerd en dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan het oordeel van het UWV, dat gebaseerd was op rapportages van verzekeringsarts en arbeidsdeskundige. Ook zag de Raad geen reden voor een aanvullend medisch onderzoek.
De Raad stelde vast dat de jurisprudentie omtrent het CBBS-systeem niet inhoudt dat alle besluiten die daarop steunen onrechtmatig zijn. Hoewel het CBBS-systeem onvolkomenheden kent, was in dit geval het besluit voldoende toetsbaar, verifieerbaar en transparant. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WAO-uitkering bevestigd.