ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4400
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing bijstand wegens onjuiste wettelijke grondslag
Appellant diende op 8 maart 2002 een aanvraag om bijstand in voor zichzelf en zijn echtgenote, die tijdelijk in Canada verbleef. Het College wees de aanvraag af wegens schending van de inlichtingenverplichting over het verblijf van zijn echtgenote. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Raad oordeelt dat het College de aanvraag onjuist heeft afgewezen.
De Raad stelt vast dat het verblijf van de echtgenote in het buitenland tot 5 april 2002 geen belemmering vormde voor het recht op bijstand. De inlichtingenverplichting bleef echter van toepassing na herroeping van het eerdere besluit buiten behandelingstelling. Omdat appellant en zijn echtgenote geen concrete informatie over het verblijf in het buitenland konden verstrekken, is de inlichtingenverplichting geschonden.
De Raad benadrukt dat het niet vaststellen van het recht op bijstand voor de echtgenote niet automatisch betekent dat appellant geen recht heeft. Volgens artikel 32 Abw Pro had het College de aanvraag van appellant als alleenstaande moeten beoordelen. Het College heeft dit nagelaten, waardoor het besluit op een onjuiste wettelijke grondslag berust.
De Raad vernietigt het besluit en de aangevallen uitspraak en beveelt het College een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelt de Raad het College in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit van het College wordt vernietigd en het College moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de uitspraak.