ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4513
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet-herkrijgen werknemerschap na werkzaamheden langer dan zes maanden
Appellante was aanvankelijk werknemer en viel uit wegens arbeidsongeschiktheid. Zij hervatte werkzaamheden als bestuurder/administratief medewerkster in het bedrijf van haar echtgenoot. Het UWV oordeelde dat deze werkzaamheden niet als verzekeringsplichtig personeel konden worden aangemerkt, waardoor appellante haar werknemerschap verloor en geen WW-uitkering meer kon ontvangen.
De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV maar liet de rechtsgevolgen ervan in stand. Appellante stelde in hoger beroep dat zij het werknemerschap moest herkrijgen op grond van het vertrouwensbeginsel, omdat een inspecteur van het UWV zou hebben verklaard dat het werknemerschap binnen anderhalf jaar herleefde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat appellante niet kon aantonen dat het UWV een ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging had gedaan die het dwingendrechtelijke karakter van de bepalingen over het werknemerschap zou uitsluiten. De werkzaamheden duurden langer dan zes maanden, waardoor herkrijging van het werknemerschap volgens de WW niet mogelijk was.
Daarom werd het hoger beroep verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WW-uitkering wordt bevestigd omdat het werknemerschap niet herkregen kan worden na werkzaamheden langer dan zes maanden.