ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4842
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Weigering WAO-uitkering wegens ontbreken medische arbeidsongeschiktheid secretaresse
Appellante, werkzaam als secretaresse, vroeg een WAO-uitkering aan wegens chronische pijnklachten. Diverse medische onderzoeken, waaronder een multidisciplinair onderzoek en een psychiatrisch rapport, concludeerden dat er geen objectief vastgestelde ziekte of gebrek was die haar arbeidsongeschiktheid rechtvaardigde.
Het UWV weigerde de uitkering omdat appellante de wachttijd niet had doorlopen en geen medische grond voor arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep ongegrond, omdat de medische rapporten onvoldoende objectieve stoornissen aantonen.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat nieuw medisch bewijs haar arbeidsongeschiktheid bevestigde, maar de Raad verwierp dit op grond van tegenrapportages en het ontbreken van een eenduidige medische consensus.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische gegevens onvoldoende waren om te concluderen dat appellante niet in staat was haar eigen werk te verrichten en bevestigde het bestreden besluit. Het hoger beroep werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van de WAO-uitkering wordt bevestigd.