ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4887

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-6524 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek herziening besluit ziekengeld UWV wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellante verzocht het UWV om terug te komen op een eerder besluit waarin haar ziekengeld werd stopgezet. Zij stelde dat zij het bezwaarschrift tijdig per fax had verzonden en overlegde daarvoor een gespreksspecificatie van KPN en getuigenverklaringen.

De Raad oordeelde dat deze stukken geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden vormen in de zin van artikel 4:6 Awb Pro, omdat appellante deze stellingen reeds in eerdere procedures had aangevoerd. Het UWV was daarom bevoegd het verzoek zonder nader onderzoek af te wijzen.

De Raad bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam en vond geen grond voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De beslissing van het UWV en de rechtbank is daarmee in stand gebleven, en het verzoek tot herziening is afgewezen.

De uitspraak benadrukt het belang van het aanvoeren van daadwerkelijk nieuwe feiten bij verzoeken om herziening van bestuursbesluiten en bevestigt de rechtszekerheid van eerdere besluiten wanneer geen nieuwe omstandigheden worden gesteld.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het verzoek tot herziening wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

04/6524 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 oktober 2004, 03/3721 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 6 december 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.A. Oosterveen, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2006. Namens appellante is verschenen mr. A. Rodríguez González (kantoorgenoot van mr. Oosterveen). Het Uwv heeft zich, met kennisgeving, niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
Bij brief van 20 februari 2003 is appellante in kennis gesteld van het besluit om haar met ingang van 24 februari 2003 geen ziekengeld (meer) toe te kennen.
Bij besluit van 24 april 2003 is het bezwaar tegen het besluit van 20 februari 2003 niet ontvankelijk verklaard wegens het te laat indienen van het bezwaarschrift. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden. Het thans aan de orde zijnde verzoek van appellante van 24 juli 2003 strekt ertoe dat het Uwv van dit eerdere besluit terugkomt. Bij besluit van 15 augustus 2003 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen. Bij besluit van 16 oktober 2003 (het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 15 augustus 2003 ongegrond verkaard.
Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.
Bij haar verzoek heeft appellante aangevoerd dat zij aan de hand van een bij KPN Telecom B.V. opgevraagde gespreksspecificatie, kan aantonen dat zij op 6 maart 2003 bij de Plusmarkt te [woonplaats] het bezwaarschrift per fax heeft verzonden naar het Uwv. Tevens zijn namens appellante bij het beroepschrift bij de rechtbank een drietal verklaringen van getuigen overgelegd die verklaren dat zij appellante op 6 maart 2003 samen met haar echtgenoot het bezwaarschrift hebben zien faxen naar het Uwv in de Plusmarkt te [woonplaats]. Appellante is van oordeel dat vorenstaande feiten en omstandigheden dienen te worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb.
De Raad kan appellante hierin niet volgen. Evenals de rechtbank en het Uwv is de Raad van oordeel dat uit de door appellante overgelegde gespreksspecificatie niet is op te maken dat appellante het faxbericht heeft verzonden en wat de inhoud van dit faxbericht zou kunnen zijn. Aangezien appellante reeds in de eerste bezwaarprocedure naar voren heeft gebracht dat zij het bezwaarschrift voor het einde van de bezwaartermijn vanuit de plusmarkt te [woonplaats] naar het Uwv heeft gefaxt, kan dit nieuwe gedingstuk niet tot het door appellante beoogde resultaat leiden.
Ten aanzien van de bij de rechtbank in eerste aanleg overgelegde getuigenverklaringen verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 30 maart 2004, LJN: AO8674, waarin de Raad, onder meer, heeft overwogen dat “Uit de aard der zaak bij de boordeling van het bestreden besluit niet worden betrokken de door appellante in beroep overgelegde stukken, die niet bij gedaagde bekend waren ten tijde van het nemen van het bestreden besluit”.
Gelet op het vorenstaande heeft appellante geen feiten of omstandigheden aangevoerd die kunnen worden aangemerkt als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb.
Het Uwv was dan ook bevoegd om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 24 april 2003. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. van Netten als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 december 2006.
(get.) M.C. Bruning.
(get.) A. van Netten.
CVG