ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4949

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-6759 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 78 WAOArt. 4a Besluit premiedifferentiatie WAO
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verschil in premieheffing tussen grote en kleine werkgevers in WAO-premie niet in strijd met gelijkheidsbeginsel

In deze zaak heeft appellant, de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. De rechtbank had het besluit van appellant vernietigd waarin betrokkene was ingedeeld als kleine werkgever met een gedifferentieerde WAO-premie van 2,38% voor het jaar 2003. De rechtbank oordeelde dat artikel 4a van het Besluit premiedifferentiatie WAO strijdig was met artikel 78 van Pro de WAO.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het onderscheid tussen kleine en grote werkgevers bij de premieheffing niet nieuw was en reeds sinds de invoering van de gedifferentieerde WAO-premie in 1998 bestond. Tevens werd vastgesteld dat het effect van het premiesysteem voor kleine werkgevers niet vergelijkbaar is met dat voor grote werkgevers, waardoor er geen sprake is van gelijke gevallen.

De Raad concludeerde dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt en vernietigde de uitspraak van de rechtbank. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door R.C. Schoemaker op 14 december 2006.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het onderscheid in premieheffing tussen grote en kleine werkgevers is gerechtvaardigd.

Uitspraak

04/6759 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 november 2004, 03/437
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
[betrokkene] (hierna: betrokkene)
en
appellant
Datum uitspraak: 14 december 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 2 november 2006, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.J. Lustenhouwer, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, terwijl betrokkene niet is verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 25 november 2002 heeft appellant aan gedaagde medegedeeld dat zij voor het premiejaar 2003 is ingedeeld in de categorie kleine werkgevers en dat de voor dat jaar verschuldigde gedifferentieerde premie voor de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) 2,38% bedraagt. Bij besluit op bezwaar van 13 december 2002 (verder: het bestreden besluit) is het besluit van 25 november 2002 gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank - kort gezegd - overwogen dat artikel 4a van het Besluit premiedifferentiatie WAO (verder: het Besluit), waarbij ingaande 1 januari 2003 de in artikel 78, derde lid, van de WAO bedoelde opslag of korting voor een kleine werkgever is bepaald op nihil, wegens strijd met artikel 78 van Pro de WAO onverbindend is te achten.
Appellant heeft het oordeel van de rechtbank gemotiveerd bestreden.
Uit de uitspraak van de Raad van 24 februari 2005 (LJN: AT2417) volgt dat het hoger beroep slaagt. Kortheidshalve verwijst de Raad naar genoemde uitspraak.
In beroep is namens gedaagde ook aangevoerd dat artikel 4a van het Besluit strijdig is met het gelijkheidsbeginsel. Volgens gedaagde bestaat er geen objectieve rechtvaardigingsgrond voor het verschil in behandeling tussen kleine en grote werkgevers voor het premiejaar 2003. Nu de rechtbank deze grief onbesproken heeft gelaten, dient de Raad hierover alsnog een oordeel te geven.
De Raad stelt daarbij voorop dat er - wat de heffing van de gedifferentieerde WAO-premie betreft - ook vóór 2003 verschil in behandeling tussen kleine en grote werkgevers bestond. Vanaf de invoering van de gedifferentieerde WAO-premie per
1 januari 1998 is er, zowel wat de minimum- als de maximumpremie betreft, onderscheid gemaakt tussen grote en kleine werkgevers.
De Raad overweegt voorts dat het verschil in effect van het tot 2003 bestaande systeem van premiedifferentiatie in de WAO voor kleine werkgevers onvergelijkbaar is met dat effect voor grote werkgevers. Mede om die reden is er ook altijd sprake geweest van verschil in behandeling tussen beide groepen werkgevers.
Uit het voorgaande volgt dat er geen sprake is van gelijke gevallen, zodat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt.
Dit betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en dat het beroep ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 december 2006.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.E. Lysen.