ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4949
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- Rechtspraak.nl
Verschil in premieheffing tussen grote en kleine werkgevers in WAO-premie niet in strijd met gelijkheidsbeginsel
In deze zaak heeft appellant, de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. De rechtbank had het besluit van appellant vernietigd waarin betrokkene was ingedeeld als kleine werkgever met een gedifferentieerde WAO-premie van 2,38% voor het jaar 2003. De rechtbank oordeelde dat artikel 4a van het Besluit premiedifferentiatie WAO strijdig was met artikel 78 van Pro de WAO.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het onderscheid tussen kleine en grote werkgevers bij de premieheffing niet nieuw was en reeds sinds de invoering van de gedifferentieerde WAO-premie in 1998 bestond. Tevens werd vastgesteld dat het effect van het premiesysteem voor kleine werkgevers niet vergelijkbaar is met dat voor grote werkgevers, waardoor er geen sprake is van gelijke gevallen.
De Raad concludeerde dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt en vernietigde de uitspraak van de rechtbank. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door R.C. Schoemaker op 14 december 2006.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het onderscheid in premieheffing tussen grote en kleine werkgevers is gerechtvaardigd.