ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4970
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd
Appellant viel op 22 januari 2002 uit voor zijn werk als heftruckchauffeur. Het UWV weigerde bij besluit van 28 november 2002 een WAO-uitkering per einde wachttijd (21 januari 2003) omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Het bezwaar werd door het UWV ongegrond verklaard en de rechtbank verklaarde het beroep tegen deze beslissing eveneens ongegrond.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank. De beoordeling van arbeidsongeschiktheid richt zich op de situatie per einde wachttijd; ontwikkelingen daarna zijn in beginsel niet relevant. De bezwaarverzekeringsarts heeft op basis van beschikbare gegevens, inclusief informatie van de huisarts, geen aanleiding gezien om de beperkingen van appellant op die datum anders te beoordelen.
De stelling van appellant dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was omdat nadere inlichtingen bij de huisarts ontbraken over de prognose na de wachttijd, wordt verworpen. De bezwaarverzekeringsarts heeft wel degelijk informatie ingewonnen, maar deze gaf geen aanleiding tot een andere beoordeling. De vastgestelde belastbaarheid en de geschatte verdiencapaciteit rechtvaardigen de conclusie dat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt is per einde wachttijd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd.