ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5110
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- C.W.J. Schoor
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep oordeelt over weigering WAO-uitkering en arbeidsgehandicaptenstatus
Appellante, werkzaam als detacheringsmedewerkster, viel uit wegens zwangerschapsklachten en meldde zich daarna ziek met rug- en bekkenklachten. Diverse medische onderzoeken en arbeidsdeskundige rapporten stelden beperkingen vast, maar concludeerden een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15% per einde wachttijd. Het Uwv weigerde een WAO-uitkering en de status van arbeidsgehandicapte toe te kennen. De rechtbank vernietigde enkele besluiten vanwege onjuiste toepassing van de wachttijd en schending van zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginselen.
In hoger beroep erkende het Uwv dat het besluit om appellante niet als arbeidsgehandicapte aan te merken niet langer wordt gehandhaafd en verleende alsnog ziekengeld tot 17 februari 2002. De Raad oordeelde dat de verlening van ziekengeld op en na 5 juli 2001 correct was en dat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg per 23 augustus 2001, waardoor de weigering van een WAO-uitkering terecht was. Het beroep tegen het besluit om appellante niet als arbeidsgehandicapte te erkennen werd gegrond verklaard en dit besluit vernietigd.
De Raad wees het beroep tegen de weigering van de WAO-uitkering af en verklaarde het overige hoger beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Het Uwv werd verplicht het betaalde griffierecht te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van een WAO-uitkering wordt ongegrond verklaard, het beroep tegen het besluit om appellante niet als arbeidsgehandicapte aan te merken wordt gegrond verklaard en dit besluit vernietigd.