ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5220
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- K.J. Kraan
- J.L.P.G. van Thiel
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep bevestigt ontslag en compenseert financiële gevolgen VUT-regeling
Appellant was werkzaam als chef afdeling bij de gemeente Rozenburg en werd in 1989 buitengewoon verlof verleend onder de voorwaarde dat hij gebruik zou maken van de VUT-regeling zodra mogelijk. In 1999 verleende het College hem ontslag wegens het uitblijven van een expliciet ontslagverzoek, waarbij het College aannam dat appellant dit verzoek geacht werd te hebben ingediend.
Appellant stelde dat hij onder dwang de overeenkomst had gesloten en dat hij destijds door een depressie niet in staat was zijn wil vrij te bepalen. De Raad oordeelde echter dat er geen sprake was van ongeoorloofde pressie en dat appellant voldoende gelegenheid had gehad om de overeenkomst te overwegen, mede ondersteund door een gemachtigde. Medische verklaringen ondersteunden de stelling van wilsgebrek niet.
De Raad stelde vast dat het College terecht het ontslag op grond van de overeenkomst kon baseren, ook zonder expliciet verzoek in 1999. Wel oordeelde de Raad dat het College in strijd met het vertrouwensbeginsel had gehandeld door de ingangsdatum van het ontslag financieel nadelig te wijzigen zonder voorafgaande duidelijke communicatie. Daarom vernietigde de Raad het deel van de besluiten dat betrekking had op de bruto-vergoeding en stelde zelf een compensatie vast.
Tot slot veroordeelde de Raad het College tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellant, waarmee het geschil grotendeels definitief werd beslecht.
Uitkomst: Het ontslag wordt bevestigd, het College moet appellant compenseren voor financiële nadelen en proceskosten vergoeden.