ECLI:NL:CRVB:2010:BM3643
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K. Zeilemaker
- H.G. Rottier
- K.J. Kraan
- Rechtspraak.nl
Beoordeling nakoming afspraken en rechtspositie bij beëindiging ambtelijk dienstverband
Betrokkene werd per 1 juli 2001 eervol ontslag verleend en vanaf 1 september 2001 maakte hij gebruik van de pré-vutregeling. In 2006 vroeg betrokkene eervol ontslag per 1 april 2006 onder de voorwaarde dat eerdere afspraken strikt zouden worden nagekomen. Het college verleende het ontslag onder voorbehoud van de feitelijke toekenning van de FPU-uitkering, waarna betrokkene bezwaar maakte tegen het ontslagbesluit en meerdere verzoeken indiende.
De rechtbank vernietigde het ontslagbesluit omdat het college niet aan alle voorwaarden zou hebben voldaan, maar handhaafde de afwijzing van de hypotheekverhoging en het schadeverzoek. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat betrokkene niet vrij was om voorwaarden aan zijn ontslag te verbinden die betrekking hadden op de pré-vutperiode, en dat de overeenkomst van 1998 is komen te vervallen door de latere overeenkomst van 2001.
De Raad bevestigt dat het college het ontslagbesluit terecht heeft genomen met toepassing van de overeenkomst van 2001 en de brief van 6 april 2001. Verzoeken om hypotheekverhoging en schadevergoeding worden afgewezen omdat er geen dwingende aanspraak bestaat en het verzoek onvoldoende is onderbouwd. Daarnaast verklaart de Raad het bezwaar tegen het niet tijdig nemen van besluiten op informatieverzoeken niet-ontvankelijk en veroordeelt het college in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Het eervol ontslag wordt bevestigd met toepassing van de overeenkomst van 2001; verzoeken tot hypotheekverhoging en schadevergoeding worden afgewezen.