ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5229
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing bezwaar tegen beëindiging Ziektewetuitkering per 15 november 2003
Appellant stelde bezwaar tegen het besluit van het UWV van 31 oktober 2003, waarbij hij per 15 november 2003 niet langer wegens ziekte ongeschikt werd geacht en daarmee het recht op Ziektewetuitkering verviel. De rechtbank Breda verklaarde het beroep ongegrond, omdat het oordeel van de verzekeringsarts, ondersteund door medisch specialistische informatie, voldoende feitelijke grondslag had en appellant geen nieuwe medische informatie aanleverde die dit oordeel zou kunnen betwijfelen.
In hoger beroep voerde appellant voornamelijk argumenten aan die reeds in eerste aanleg waren gepresenteerd, zonder nieuwe medische gegevens. Het rapport van Argonaut Advies B.V. uit 2006, waarin werd geconcludeerd dat appellant alleen geschikt zou zijn voor WSW-arbeid, werd door de Raad niet relevant geacht omdat dit betrekking had op een latere datum en mede gebaseerd was op niet-medische factoren.
De Centrale Raad concludeerde dat appellant op 15 november 2003 medisch gezien niet meer beperkt was dan bij de eerdere WAO-schatting van 30 juni 2002 en in staat was ten minste één van de functies uit die schatting te vervullen. De Raad vond geen grond om artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe te passen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant per 15 november 2003 niet langer recht heeft op een Ziektewetuitkering wegens onvoldoende medische beperkingen.