ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5295
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en woonplaatswijziging
Appellant ontving bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) als alleenstaande. Na een onderzoek van de sociale recherche concludeerde het College dat appellant en appellante van 1 juli 2002 tot 1 oktober 2002 een gezamenlijke huishouding voerden in de woning van appellant in Vianen en vanaf 1 oktober 2002 samenwoonden in een andere gemeente. Appellant had dit niet gemeld, waardoor ten onrechte bijstand werd verleend volgens de norm voor een alleenstaande.
Het College trok de bijstand met ingang van 1 juli 2002 in en vorderde de onterecht ontvangen bijstand terug. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Raad dat de intrekking en terugvordering terecht zijn voor de periode 1 juli 2002 tot 16 december 2003, omdat appellant geen woonplaats meer had in Vianen vanaf 1 oktober 2002 en een gezamenlijke huishouding voerde.
De medeterugvordering van appellante wordt echter vernietigd omdat de voorwaarden voor terugvordering op grond van gezinsbijstand niet zijn vervuld voor de periode vanaf 1 oktober 2002. Het College wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen over het bezwaar van appellante. Tevens wordt het College veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Intrekking en terugvordering bijstand aan appellant bevestigd; medeterugvordering van appellante vernietigd.