ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5384

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-4666 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken belang na nieuwe besluiten UWV

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam inzake een geschil met het UWV over een socialezekerheidszaak. Het UWV heeft op 5 mei 2006 nieuwe besluiten genomen die het bezwaar van appellante volledig honoreren. Hierdoor bestaat er geen geschil meer tussen partijen.

De Raad heeft op basis van deze nieuwe feiten geoordeeld dat appellante geen belang meer heeft bij een oordeel over de aangevallen uitspraak en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Tevens veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van appellante over bezwaar, eerste aanleg en hoger beroep.

De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 13 december 2006, waarbij ook werd bepaald dat het griffierecht aan appellante wordt vergoed.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang na nieuwe besluiten van het UWV.

Uitspraak

04/4666 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2004, 03/2964 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 13 december 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.A.M. van Leeuwen, advocaat te Schiedam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2005. Appellante is verschenen, bijgestaan door
mr. Van Leeuwen, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Ter zitting is het onderzoek geschorst.
Bij brief van 18 mei 2006 heeft het Uwv de Raad afschriften van beslissingen van 5 mei 2006 toegezonden.
Partijen hebben desgevraagd toestemming verleend behandeling ter zitting achterwege te laten.
II. OVERWEGINGEN
Met de besluiten van 5 mei 2006 heeft het Uwv opnieuw op het bezwaar van appellante beslist. Deze besluiten komen geheel tegemoet aan het beroep van appellante. Tussen partijen bestaat, gezien de inhoud van de besluiten en hetgeen overigens is aangevoerd, geen geschil meer. Derhalve heeft appellante geen belang meer bij een oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak. Het hoger beroep zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
De Raad ziet in de argumenten van het Uwv als vermeld in diens brief van 18 mei 2006 geen reden om toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht achter-wege te laten en hij zal het Uwv veroordelen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,-- in bezwaar, van € 644,-- in eerste aanleg en een bedrag van € 644,-- in hoger beroep telkens wegens verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.932,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante betaalde griffierecht van totaal € 133,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en H. Bolt en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 december 2006.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) P. Boer.