ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5395

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-804 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.A. Hoogeveen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24, eerste lid, aanhef en onder b, WWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatie-inspanningen

Appellant, die sinds 1 februari 2005 een WW-uitkering ontving, kreeg deze met ingang van 11 april 2005 met 20% verlaagd voor een periode van 16 weken wegens onvoldoende sollicitatie-inspanningen. Het Uwv baseerde dit op een werkbriefje en telefonische informatie waaruit bleek dat appellant slechts twee sollicitaties had verricht, terwijl ten minste vier sollicitaties vereist waren.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat slechts twee sollicitaties als concreet en verifieerbaar konden worden aangemerkt. Appellant voerde aan dat hij meer had gedaan, zoals informeren bij familie en voormalige werkgevers, en zich had ingezet voor het behoud van zijn baan, maar deze activiteiten werden niet als voldoende beschouwd.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en overwoog dat de veronderstelling geldt dat voldoende sollicitatieactiviteiten de kans op werk vergroten. De door appellant aangevoerde persoonlijke omstandigheden waren niet uitzonderlijk genoeg om hiervan af te wijken. Ook was er geen sprake van verminderde verwijtbaarheid of dringende reden om af te zien van de maatregel.

De Raad bevestigde daarom de verlaging van de WW-uitkering en wees een verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Uitkomst: De verlaging van de WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatie-inspanningen wordt bevestigd.

Uitspraak

06/804 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 20 december 2005, 05/2450 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 13 december 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2006. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.G. Lavrijsen, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. Voor een weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende. Aan appellant, die laatstelijk vanaf 1 december 1998 werkzaam was als beheerder activiteitengebouw in dienst van de [naam werkgever], is met ingang van 1 februari 2005 een WW-uitkering toegekend. Het door appellant ingediende werkbriefje over de periode van 14 maart 2005 tot en met 10 april 2005, waarop melding is gemaakt van één sollicitatie, is voor het Uwv aanleiding geweest tot navolgende besluitvorming.
2.1. Bij besluit van 21 april 2005 is appellant meegedeeld dat de hem toegekende WW-uitkering met ingang van 11 april 2005 gedurende 16 weken wordt verlaagd met 20% omdat hij in de periode van 14 maart 2005 tot en met 10 april 2005 in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen.
2.2. Bij het thans bestreden besluit van 22 juni 2005 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen voormeld besluit ongegrond verklaard. Daartoe is -kort gezegd- overwogen dat het Uwv, op grond van het werkbriefje en telefonisch door appellant verstrekte informatie, er van uit gaat dat appellant in voormelde periode twee concrete en verifieerbare sollicitaties heeft verricht, terwijl dit er op grond van het van toepassing zijnde beleid tenminste vier hadden moeten zijn.
3.1. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar aanleiding van de stelling van appellant dat hij in de in geding zijnde periode alles heeft gedaan wat binnen zijn vermogen lag om te voorkomen dat hij werkloos zou blijven, waaronder het informeren bij voormalige werkgevers, familie en kennissen naar werk, en het vechten voor het behoud van zijn baan bij zijn laatste werkgever, heeft de rechtbank overwogen dat van de door appellant gestelde verrichte sollicitatieactiviteiten er slechts twee als concrete verifieerbare sollicitatieactiviteiten kunnen worden aangemerkt, zodat appellant in de in geding zijnde vierweekse periode, gelet op de geldende norm ten behoeve van het aantal te verrichten sollicitaties, tenminste twee sollicitaties te weinig heeft verricht.
3.2. Appellant heeft voormelde uitspraak van de rechtbank bestreden en zijn in eerste aanleg aangevoerde argumenten herhaald.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. In dit geding moet de vraag worden beantwoord of de rechtbank gevolgd kan worden in haar oordeel over het bestreden besluit. Onder verwijzing naar het in de aangevallen uitspraak weergegeven wettelijk kader, beantwoordt de Raad deze vraag bevestigend en hij onderschrijft de overwegingen in de aangevallen uitspraak en maakt deze tot de zijne. Hij voegt daar nog het volgende aan toe.
4.2. Onder verwijzing naar zijn uitspraken van 25 januari 2006, LJN AV1632 en AV1635, overweegt de Raad dat bij de beantwoording van de vraag of appellant werkloos is gebleven doordat hij in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW, mag worden uitgegaan van de vooronderstelling dat met het verrichten van voldoende sollicitatieactiviteiten de kans toeneemt dat arbeid wordt verkregen en dat daarmee het werkloosheidsrisico wordt verkleind. De door appellant aangevoerde omstandigheden, te weten zijn leeftijd en gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, acht de Raad niet zodanig uitzonderlijk dat niet van de juistheid van de hiervoor aangegeven veronderstelling kan worden uitgegaan.
4.3. Vervolgens is de vraag aan de orde of het Uwv, gelet op hetgeen appellant heeft aangevoerd, aannemelijk dient te maken dat er voor appellant passende arbeid voorhanden was, bijvoorbeeld door aan te tonen dat er vacatures waren, danwel dat appellant anderszins aan zijn sollicitatieverplichting had kunnen voldoen. Deze vraag beantwoordt de Raad ontkennend. Appellant stelt zich immers op het standpunt aan zijn sollicitatieplicht te hebben voldaan door te informeren bij familie, kennissen en voormalige werkgevers. Dergelijke activiteiten zijn, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, onvoldoende concreet en verifieerbaar geacht. Uiteraard is appellant te prijzen voor zijn inzet om zijn baan en die van anderen bij De Klimroos te behouden, maar daarmee wordt niet de verwijtbaarheid aan de te geringe sollicitatieactiviteiten ontnomen.
4.4. Hetgeen door appellant is aangevoerd heeft de Raad, evenmin als de rechtbank, tot het oordeel kunnen leiden dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid, noch van een dringende reden op grond waarvan het Uwv had moeten afzien van het opleggen van een maatregel. De Raad verwijst voor het laatste punt opnieuw naar hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen.
4.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 december 2006.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) M.D.F. de Moor.