ECLI:NL:CRVB:2006:AV1632
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende sollicitatieactiviteiten en passende arbeid bij WW-uitkering
De zaak betreft een geschil over een maatregel op de WW-uitkering van gedaagde wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten in de periode van 23 tot 30 december 2002. Appellant had een korting van 20% opgelegd omdat gedaagde niet had voldaan aan de sollicitatieverplichting zoals neergelegd in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW. De rechtbank had het bezwaar van gedaagde tegen deze maatregel gegrond verklaard vanwege onvoldoende motivering en het ontbreken van een onderscheid tussen twee rechten op WW.
De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van gedaagde ongegrond. De Raad stelt dat de vooronderstelling dat voldoende sollicitatieactiviteiten de kans op het verkrijgen van passende arbeid vergroten, in beginsel geldt en niet nader hoeft te worden onderbouwd door appellant. Gedaagde had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze vooronderstelling niet op haar van toepassing was. Bovendien was er voldoende passend arbeid beschikbaar, zoals blijkt uit de door appellant overgelegde vacatures.
De Raad oordeelt verder dat passende arbeid moet worden bepaald aan de hand van de individuele omstandigheden van de werkloze werknemer, waarbij niet alleen het vroegere beroep en niveau van het werk, maar ook de duur van de werkloosheid en andere relevante factoren van belang zijn. Gedaagde kon zich niet beperken tot arbeid als docente, maar had zich ook moeten richten op arbeid op basisniveau. De maatregel op de WW-uitkering is daarom terecht toegepast.
Uitkomst: Het beroep van gedaagde wordt ongegrond verklaard en de maatregel op de WW-uitkering blijft gehandhaafd.