ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5427
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging korting WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten
Appellant was van 22 maart 2004 tot 21 december 2004 in dienst als metselaar/voorman bij een werkgever. Na het niet verlengen van zijn contract wegens onvoldoende werk, vroeg hij op 22 december 2004 een WW-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat appellant vanaf het moment dat hij wist dat hij werkloos zou worden, geen sollicitaties had verricht, behalve op de eerste dag van werkloosheid. Hierdoor werd zijn uitkering voor 16 weken verlaagd van 70% naar 50% van het dagloon.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad overwoog dat appellant redelijkerwijs had kunnen voorzien dat hij werkloos zou worden en dat hij vóór het einde van zijn dienstverband sollicitatieactiviteiten had moeten verrichten. Ook vond de Raad dat het UWV niet verplicht was om nader onderzoek te doen naar beschikbare vacatures, omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat er geen passende arbeid voorhanden was.
De Raad vond het beleid van het UWV omtrent sollicitatieplicht in overeenstemming met de Werkloosheidswet en zag geen reden om het oordeel van de rechtbank te wijzigen. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De korting op de WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten wordt bevestigd.